HOME

logo_rood

“Wat je bezit, is op weg naar anderen” (Willem Hussem)

 

Ger en Wilma Bernadet

MALcollection, Modern Art Loppersum, is een kunstverzameling die het resultaat is van 46 jaar passie voor de hedendaagse beeldende kunst.

De collectie is ambitieus doordat zij gericht is op ontluikende talenten, met een potentieel om opgenomen te worden in museale collecties.

Onze missie is om kunst te delen met anderen:

  • Een deel van de collectie is te koop of te huur (zie VERHUUR)
  • Verder schenken we ook werken aan Nederlandse musea. Zo hebben we inmiddels schenkingen gedaan aan het museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, het Stedelijk Museum Schiedam, het Drents Museum in Assen, het Groninger Museum, het Museum Arnhem, het museum De Fundatie in Zwolle, Museum Belvédère in Heerenveen, het Noordbrabants Museum in ‘s-Hertogenbosch en het Centraal Museum Utrecht. In totaliteit betreft het inmiddels 86 kunstwerken. Op deze manier proberen we werken van jonge kunstenaars binnen museale collecties opgenomen te krijgen.

Dit maakt het ook mede mogelijk iedere keer nieuwe keuzes te maken, waardoor onze collectie levend en dynamisch blijft en gericht is op de kunstwerken van morgen.

Een bezoek aan onze collectie is na een afspraak mogelijk.

Wij staan in contact met Independent Collectors, een wereldwijd platform van 7.000 kunstverzamelaars.

Wij ondersteunen de Vereniging Rembrandt bij het verwerven van belangrijke kunstwerken voor Nederlandse musea.

Ger van Dam en Wilma Kuiper, 

Modern Art Loppersum

…………………………………………………………………………………………………………………

Geschiedenis van het MAL, ofwel “Leven is het onverwachte omarmen”

Niet vanzelfsprekend, maar het lot van het toeval is mij gunstig gezind geweest:

Mijn beide ouders hebben alleen lager onderwijs genoten en al vanaf hun 14e jaar moesten zij aan de arbeid. Mijn vader is altijd vrachtautochauffeur geweest en mijn moeder later huisvrouw met vier kinderen. Beeldende kunst maakte daarom geen deel uit bij ons in huis of in mijn jeugd.

Aanvankelijk ging het leren op de lagere school niet zo goed en daarom moest ik van mijn ouders naar de lagere technische school in Rotterdam-Zuid om zo een vak te leren, dat werd elektrotechniek.  Hierna volgde met goed gevolg de middelbare technische school in de elektrotechniek. Technisch gericht onderwijs dus, waar kunstvorming maar in heel geringe mate aandacht kreeg.

Op mijn 20e jaar, in 1970, volgde “automatisch” de militaire dienstplicht, specifiek de onderofficiersopleiding bij de luchtmacht. Dat was een heel belangrijk moment. Ik werd daardoor uit mijn tot dan toe vertrouwde huiselijke omgeving gehaald (“doe maar gewoon”, “zorg dat een ander geen last van je hebt”, braaf huiswerk maken en een beetje sporten) en kwam plots bij toeval op een kamer terecht met (oudere) dienstmaten, die heel andere (HBS/HBO)opleidingen hadden gevolgd. En daardoor geheel andere visies op de wereld uitdroegen. Daar zat iemand een dichtbundel te lezen, een ander het boek van Jan Tinbergen, die toen net daarvoor de Nobelprijs voor economie had gewonnen en nog weer een ander las dagelijks de Volkskrant en het weekopinieblad de Haagse Post en maakte zich zorgen over het voortbestaan van de wereld (Club van Rome, 1972). Ik wist niet wat me overkwam, maar had wel direct het besef dat ik die invloeden fascinerend vond en en dat ik die voor mij onbekende ontwikkelde en culturele wereld ook wilde gaan ontdekken. Ik begon daarop (via tips van de dienstmaten) als eerste met het lezen van  de bekende schrijvers Wolkers, Reve en Dostojevski, nam ik een abonnement op het cultureel jongerenpaspoort om zo met fikse kortingen voorstellingen te kunnen bezoeken en startte met – letterlijk  angst en beven – en veel onzekerheid en verlegenheid aan de inhaalrace op het cultureel vlak. Bezoeken volgde aan toneel, dans en ballet en klassieke muziek. Overweldigend, ook al begreep ik door gebrek aan kennis niet altijd alles even goed. Maar de eerste belangrijke stappen waren gezet. De inhaalrace was begonnen.

Na de militaire dienst (1972) vond een tweede belangrijke toevallige gebeurtenis plaats. Ik kwam te werken op een technische tekenkamer van een ingenieursbureau, dat vlak nabij museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam was gevestigd. Een daar werkende collega was geïnteresseerd in beeldende kunst en die stelde vaak voor om in de lunchpauze bij museum Boijmans te gaan kijken. De PvdA had destijds de meerderheid in de Gemeenteraad van Rotterdam en daarom was alle dagen het gemeentelijke museum Boijmans gratis toegankelijk voor iedereen. Dus snel een broodje eten op het werk, 5 minuten lopen naar het museum, 20 minuten daar kijken en weer 5 minuten terug. Dat bijna iedere dag, week in, week uit. Kabinet voor kabinet met de vaste collectie of een blik op de wisselexposities in de toen juist nieuwe grote Bodonzaal, met daarbij ook indrukwekkende hedendaagse kunst.

Zo leerde ik in twee jaar de vaste collectie een beetje kennen met kunst vanaf 1500 tot heden. Renilde Hammacher was daar toentertijd conservator en zij organiseerde veel exposities rond het surrealisme, oa Delvaux, Labisse en de grote Dali-tentoonstelling. Dat alles maakte enorme indruk op mij.  Het schilderij “De slapende wandelaarster” van Pyke Koch was snel mijn favoriete kunstwerk in Boijmans. Zo iets moois zou ik ook wel graag zelf bezitten. Tot dan dacht ik dat kunst alleen bestemd was voor rijke mensen of musea, maar door de maandelijkse aanbiedingen “Prent van de maand” van het NRC Handelsblad kon ik in 1973 mijn eerste grafiekwerkje in oplage kopen, een litho van Alain Teister “Op water wachten“. In 1974 volgde mijn eerste echte schilderij van Marina Radius (via subsidie van de Rotterdamse Kunststichtring) en via de galerie van Fenna de Vries (tegenover Boijmans gevestigd) een kleine houten sculptuur van Kees Franse, zijn bekende houten appels. De eerste vijf werken in twee jaar waren binnen.

Hierna volgde jaren waarin ik een sociale HBO dagopleiding volgde in Tilburg, huwelijk en  de opbouw van huis & haard, een auto en geld besteden aan (vooral) culturele vakanties in binnen- en buitenland, waardoor de blik op de kunst en cultuur zeer werd verbreed, maar het maar mondjesmaat kwam tot verdere kunstaankopen.

Na mijn latere scheiding (Gieten, 1995) is de kunst een heel belangrijke factor geworden en volgde vele aankopen van met name jong afgestudeerden van de kunstacademies Minerva en kort  later ook van het Frank Mohr-Instituut (2e fase-opleiding MFA) in Groningen.  Inmiddels via het regelmatig bezoeken van kunstbeurzen in het buitenland zijn er ook werken van internationale jonge kunstenaars binnen de collectie gekomen. Bij de internationale opzet is ook van belang, dat het kunstonderwijs in Groningen de afgelopen 10 jaar zeer sterk is geglobaliseerd en veel buitenlandse studenten van heinde en verre hier verblijven.

In 1999 verhuisde ik naar Loppersum op het Hogeland van Groningen, omdat ik daar een betaalbare vrijstaande woning kon betrekken, zodat er ook ruimte ontstond om beelden buiten te gaan ontdekken binnen de verzameling.

We onderzoeken inmiddels een breed spectrum van kunstuitingen, voor zover dat in en rondom een woning mogelijk is.

Mijn echtgenote Wilma omarmt de kunst in volle mate en is sinds dertien jaar een zeer inspirerende factor. Bijzonder hierbij is dat zij vlak bij mij woont, 1 straatje verder op, en zij na haar scheiding in 2006 nieuwe kunst en kleur wilde in haar woning, dit als aanvulling op een net verbouwde keuken. Dit als een nieuw fris begin van een nieuwe levensfase in haar woning. Zij belde mij daarom op, omdat zij wist dat “ik van de kunst was” en zij mogelijk inspiratie kon opdoen vanuit mijn collectie. Zij kwam, zag en overwon. Zij was erg onder de indruk van twee schilderijen uit mijn collectie en die hebben daarna vele jaren in haar slaapkamer gehangen. Inmiddels zijn we getrouwd (2014) en omarmt ook haar huis de kunst in zeer ruime mate. Daardoor is er de unieke situatie van twee woningen op een steenworp afstand vol met kunst.

Haar dochter Annalie maakt deel uit van ons collectief en zij beheert mede onze website.

Inmiddels zijn vanaf 1973 meer dan 440 kunstwerken aangekocht (de tel zijn we allang kwijt, mede omdat in de loop van de tijd meerdere werken elders hun bestemming hebben gevonden), waarvan er inmiddels 87 aan diverse musea in Nederland zijn geschonken. Het hoogtepunt daarbinnen vond plaats in 2013, met de schenking van twee kunstwerken aan het museum Boijmans Van Beuningen, daar waar de liefde voor de beeldende kunst ooit is ontstaan en de cirkel zich zo heeft kunnen sluiten.

Ger van Dam, 29 november 2019